top of page
Zoeken
  • Lode De Waele

De Bijzondere Financieringswet (BFW) als voorbode van het confederalisme?

(Gepubliceerd op 15 januari 2023 als opiniestuk in Knack)


De precaire financiële situatie van het Waalse Gewest is niet nieuw. Recent gaf Belfius, de huisbankier van het Waalse Gewest, aan het lopende contract maar maximaal twee jaar te verlengen. Meer nog: het contract lijstte voor het eerst voorwaarden op, terwijl er geen andere kandidaten waren om nog langer op te treden als huisbankier. Vanuit de financiële markten lijkt er dus weinig vertrouwen te zijn in de penibele financiële toestand van Wallonië, waarbij de opmars van de extreemlinkse PTB de situatie allicht nog een stuk complexer maakt. Aan de andere kant van de taalgrens staat Bart De Wever al volop klaar om de precaire financiële situatie van Wallonië aan te grijpen om tijdens een volgende regeringsvorming het confederalisme te realiseren, een zoveelste afspraak met de geschiedenis. De politieke situatie in dit land hangt echter zeer sterk samen met de institutionele context die bepaalt hoe de deelstaten worden gefinancierd vanuit het federale beleidsniveau. Dit wordt vervat in de zogenaamde Bijzondere Financieringswet (BFW). Maar wat houdt deze wet juist in, hoe heeft ze een impact op de huidige en toekomstige politieke situatie van het land en kan ze uiteindelijk het confederalisme inluiden?


De Bijzondere Financieringswet uit 1989 bepaalt hoe de Belgische deelstaten inkomen verwerven om hun bevoegdheden te kunnen uitoefenen. De Bijzondere Financieringswet werd gedurende verschillende staatshervormingen aangepast, waarbij de fiscale autonomie van de deelstaten doorheen de tijd sterk toenam. Deze wet bepaalde vervolgens de verdeelsleutels om de opeenvolgende bevoegdheidsoverdrachten naar de deelstaten, die als gevolg van de verschillende staatshervormingen ontstonden, te financieren.


Tijdens de vijfde staatshervorming, het zogenaamde Lambermontakkoord, werd de fiscale autonomie verder uitgebreid door de deelstaten toe te laten om in beperkte mate de tarieven van de personenbelastingen te wijzigen. Hierdoor werd de personenbelasting een samengevoegde belasting. Dit is een belasting die op een uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven en waarvan een bepaald gedeelte van de opbrengst aan de gewesten wordt toegewezen. De gewesten konden op de personenbelasting, die federaal wordt geheven, opcentiemen bepalen of kortingen toestaan.


Eén van de grootste uitdagingen van de staatshervormingen was om ervoor te zorgen dat de economische situatie van de deelstaten zoveel mogelijk naar elkaar zou convergeren. Te grote verschillen tussen de deelstaten zouden immers op middellange termijn nadelig zijn doordat hierdoor negatieve spillover effecten naar de andere, beter presterende deelstaten dreigen te ontstaan. Hiertoe werd een mechanisme van responsabilisering voorzien waarbij bepaalde dotaties werden verdeeld op basis van fiscale capaciteit (het zogenaamde juste retour-principe). Dit houdt in dat deelstaten die een goed economisch beleid voeren hiervoor beloond worden doordat ze aanspraak kunnen maken op een groter deel van de dotaties.


Vermits er echter een grote discrepantie was tussen de economische groei van de deelstaten onderling werd initieel voorzien in een overgangsfase waarbij de beter presterende deelstaten een stuk van hun inkomsten zouden overmaken aan de minder presterende.


Deze solidariteitstussenkomst werd tijdens de laatste staatshervorming (het Vlinderakkoord) echter substantieel afgebouwd. Vooral het Waals Gewest verloor behoorlijk veel middelen onder de nieuwe BFW. Om het financiële verlies te verzachten, werd opnieuw een overgangsmaatregel bepaald, de zogenaamde ‘sokkel’. Het consensus was om na 20 jaar (tegen 2032) het overgangsmechanisme volledig te laten uitdoven, waarna de mechanismen van de nieuwe BFW volledig voelbaar zouden worden voor alle deelstaten. De eerste tien werd voorzien in een dotatie die in nominale termen constant bleef, onafhankelijk van inflatie en economische groei, om dan vervolgens vanaf 2022 lineair af te nemen. De gevolgen zullen zich dus thans volop laten voelen.


Concreet komt het er dus op neer dat het Vlaams Gewest als enige gewest zou ‘winnen’ bij de huidige Bijzondere Financieringswet. Door het overgangsmechanisme verkreeg het Vlaanderen ongeveer 291 miljoen euro minder dan wat volgde uit de berekeningsmechanismes van de nieuwe Bijzondere Financieringswet. Vlaanderen ontving hierdoor dus tien jaar lang 291 miljoen euro minder. Terzelfdertijd ontvingen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest respectievelijk 14 en 641 miljoen euro meer. Een soortgelijk mechanisme is van toepassing op de gemeenschappen.


De effecten van de laatste staatshervorming werden berekend via het SAFIRE-model van de KULeuven. Dit is een simulatiemodel dat de nieuwe financieringswet gedetailleerd simuleert over een tijdsperiode van 2015-2030 en in staat is om resultaten van de oude en nieuwe financieringswet met elkaar te vergelijken. De effecten van verschillende studies werden met elkaar vergeleken en vertonen allemaal duidelijk eenzelfde trend: Vlaanderen wint over het algemeen aan financiering, terwijl de andere deelstaten eerder verliezen. Tesamen met de overstromingsramp in Wallonië jaar en de structureel minder gunstige economische groeicijfers, zal dit de huidige financiële situatie in Wallonië de komende jaren sterk bemoeilijken. Dat Belfius zich dus terughoudend opstelt, valt enigszins te begrijpen.


In 1988 zei wijlen Hugo Schiltz over de Bijzondere Financieringswet: ‘Deze Bijzondere Financieringswet luidt het einde van België in’. Onder een gelijkblijvend beleid is het de logische verwachting dat de financiële noden van het Waalse Gewest (en ook Brussel) volgende legislatuur danig precair zijn dat het confederalisme dichterbij staat dan ooit. De kans is reëel dat de PS, in ruil voor budgettaire compensaties vanuit Vlaanderen, zich mee inschrijft in de confederale logica. De fundamentele politieke vraag is dan uiteraard of dit al dan niet een verbetering zal zijn. Een verslechtering van de economische situatie in een bepaalde deelstaat zal zich immers ook sterk doorzetten in de economische groei van de andere deelstaat, los van de al zeer complexe situatie in Brussel. Desalniettemin zijn er danig veel overgangsmaatregelen bepaald geweest, dat deelstaten voldoende kansen hebben gehad om hun economisch beleid bij te sturen afgelopen decennia. Daarom is het essentieel dat de federale regering bestuurlijke daadkracht vertoont door substantiële hervormingen uit te werken die vervolgens een positief kunnen hebben op de budgettaire situatie van de deelstaten. Daarbij zijn hervormingen op het vlak van de arbeidsmarkt en de pensioenen cruciaal. De kans is immers bijzonder reëel dat de legislatuur die hierop volgt nog veel meer zal resulteren in institutionele onzekerheid die uiteindelijk ook in Vlaanderen steeds meer voelbaar zal zijn.



0 weergaven0 opmerkingen
Post: Blog2_Post
bottom of page